Music sample

Christian Friedrich Ruppe (1753-1836)

Finale: Rondo Allegro in D

Registratie:  HW: B16,P8,O4,O2,Mix,Sesq,T8(f)

                    BW: H8,N2 (p)

 

Van de CD: "Portret van een Müllerorgel"

 

Organist: Frank van Wijk

Kapelkerk

Müllerorgel 1762

Hoofdwerk (C-f’’’) Bovenwerk (C-f’’’)
   
Bourdon M 16’ Prestant (vanaf c0) F 8’ Discant dubbel
Prestant M 8’ Discant dubbel    Holpijp M 8’
Roerfluit M 8’ Quintadena M 8’
Roerquint F 6’ Viola di Gamba B 8’ (C-H Quintadena 8’)
Octaaf M 4’ Gemshoorn M 4’
Roerfluit M 4’ Quintfluit M 3’
Octaaf M 2’ Nachthoorn M 2’
Sesquialter M II Dulciaan F 8’
Mixtuur M/F III-VI  
Cornet (Disc.) M IV Aangehangen pedaal (C-d’)
Trompet (Bas/Disc.) F 8’  
Tremulant over het gehele werk: M M = Müller, 1762
Manuaalkoppel: Y B = L. van den Brink, 1827*)
Windladen C-c’’’: M, laden voor cis’’’-f’’’: Y Y = Ypma, 1882
Klaviatuur, tractuur en windvoorziening: Y   F = Flentrop Orgelbouw, 2004
Toonhoogte: a’=435 Hz. Winddruk: 76 mm.  
Gelijkzwevende stemming *)Pijpwerk afkomstig van
  Garrels-orgel, Purmerend
Adres :

Kapelkerk

Laat

Alkmaar

 

Geopend: vrijdag tijdens de kaasmarkt

Het Müller-orgel (1762) van de Kapelkerk

De Kapelkerk, gelegen aan de Laat, is in de eerste helft van de 16e eeuw in verschillende bouwfasen tot stand gekomen. Het gebouw, dat bestond uit een schip en een noorderzijbeuk (in 1707 uitgebreid met een dwarsbeuk aan de noordzijde) vertoont kenmerken van de Brabantse Gotiek, onder andere in het muurwerk dat rijkelijk is voorzien van zogenaamde speklagen. In 1540 was de kerk ‘volbouwd’ en in 1542 werd er een orgel geplaatst, dat afkomstig was uit de Alkmaarse Sint Laurenskerk. Dit éénklaviers instrument werd in de loop der tijd diverse malen gerenoveerd en vergroot, ondermeer door Levijn Eekman, Jacobus van Hagerbeer en Johannes Duytschot. In 1726 werd het nagenoeg geheel vernieuwd door Frans Caspar Schnitger.

 

Ten gevolge van een felle brand, veroorzaakt door loodgieters, viel op 21 augustus 1760 een groot deel van het dak en het interieur van de kerk ten prooi aan de vlammen. Ook het orgel ging daarbij verloren. Reeds negen dagen na deze brand kregen de Alkmaarse burgemeesters toestemming van de vroedschap om de benodigde middelen voor de herbouw te reserveren. Op 4 december van dat jaar sloten zij een overeenkomst met de befaamde orgelbouwers Christian en Pieter Müller uit Amsterdam voor de bouw van een tweeklaviers orgel. De orgelkas zou door de stad geleverd worden. Het beeldhouw- en snijwerk werd vervaardigd door Asmus Frauen en Willem Straetmans. Schenkster van het instrument was Jonkvrouw Johanna Geertruida le Chastelain. De fraaie cartouche die hieraan herinnert bevindt zich nog steeds op de orgelkast, evenals de wapens van de vier regerende burgemeesters. Op 16 december l762 werd de herbouwde Kapelkerk feestelijk in gebruik genomen en werd ook het orgel voor het eerst bespeeld. Hieraan herinnert een opschrift dat aan de binnenzijde van het orgel is aangebracht. De tekst luidt: ‘Den 16 December 1762 is dit orgel voor de eerste maal onder de Godsdienst gebruykt en de nieuw geboude Kerk op den selvden dag ingewijd door Cornelius Stuurman oudste Leeraar’.

 

 

Het bestek voor de bouw van het orgel van 4 december 1760 bevat de volgende dispositie:

 

 

  Voor het bovenclavier   Voor het onderclavier
       
No.1 Prestant 8 voet voor den regterhand dubbelde No.1 Prestant 8 voet regterhand dubbel
  pijpen & linkerhand Quintadeen 8 voet* 2 Bordon 16 vt van hout
2 Roorfluyt 8 vt* 3 Open Fluyt 8 vt*
3 Gemshoorn 4 vt 4 Roorquint 6 vt
4 Quintfluyt 3 vt 5 Fluyt 4 vt
5 Nagthoorn 2 vt 6 Octaav 4 vt
6 Cornet 4 pijpen sterk voor de regterhand 7 Sexquialter
7 Dulciaan 8 vt 8 Mixtuur
    9 Superoctaav 2 vt
    10 Trompet 8 vt gehalveert
       

Een samenvatting van de overige bepalingen:

• Klavieromvang: C-c³

• Gehalveerde klavierkoppel bas/discant

• Pedaal aangehangen aan onderklavier, omvang: C-c¹

• Werktuiglijke registers: twee afsluitingen, ventiel, tremulant

• Frontpijpen: zuiver Engels tin, binnenpijpen van metaal: ‘onder hondert lb lood, veertig pond tin’

• Toonhoogte: ‘Opera toon, omdat die ’t beste voor de kerkenzang is’ [=a’~415 Hz.]

• Windvoorziening: vier spaanbalgen [in een kast achter het orgel, boven de klaviatuur]

 

*Uit de dispositieverzameling van Joachim Hess (1774) blijkt dat de Quintadeen van meet af aan volledig was uitgebouwd. De Roorfluyt was als Holpijp en de Open Fluyt als Roerfluit uitgevoerd.

Alhoewel het instrument, het laatste opus van Christian Müller, qua dispositie en frontopbouw duidelijk de signatuur van de maker vertoont, mag de uiterlijke vormgeving van het geheel zondermeer spectaculair genoemd worden. Het feitelijke instrument wordt namelijk geheel omsloten door een classicistische ombouw met zuilen waardoor een monumentaal geheel ontstaat dat de gehele westmuur van het schip van de kerk vult. Wellicht dat men zich heeft laten inspireren door de classicistische orgelkas van Jacob van Campen van het grote orgel in de nabijgelegen St. Laurenskerk.

 

In de loop van de tijd onderging het instrument verschillende wijzigingen. In 1784 renoveerde orgelbouwer Johannes Strumphler uit Amsterdam het orgel. Hij verving de Roerfluit 8’ door een Baarpijp 8’ en vergrootte de Roerquint 6’ tot een Roerfluit 8’. In 1824 en 1850 werd aan het instrument gewerkt door respectievelijk Albertus van Gruisen (Leeuwarden) en B.J. Gabry (Gouda). Deze laatste bracht een klavierkoppel aan die tijdens het spelen in- en uitgeschakeld kon worden, hetgeen verband hield met veranderingen in het orgelgebruik gedurende de 19e eeuw.

 

Veel ingrijpender was de verbouwing die in 1882 door de Alkmaarse orgelmaker Lodewijk Ypma werd uitgevoerd. Deze verving de oorspronkelijke spaanbalgen door een magazijnbalg met handpomp en verplaatste de klaviatuur van de achterzijde naar de zijkant. In verband daarmee werd de orgelkas ongeveer een meter dieper gemaakt en werden tractuur en klaviatuur vernieuwd. De klavieromvang werd uitgebreid van c³ tot f³. De Cornet van het Bovenwerk werd naar het Hoofdwerk verplaatst en op de vrijkomende sleep kwam een Viola di Gamba 8’ (vanaf c0). De 12 grootste liggend geplaatste pijpen van de Bourdon 16’ werden staand opgesteld, de Prestant 8’ discant (Bovenwerk) werd uitgebreid tot c0 en de toonhoogte van het orgel werd met een halve toon verhoogd (tot a’~ 440 Hz.). Daarnaast werd de sterkte van de Mixtuur gereduceerd (van 3-6 sterk tot 2-4 sterk) en werden de dubbelkoren van de beide Prestanten 8’ afgesloten. Hoewel de windladen van Müller gehandhaafd werden, werd door Ypma feitelijk een nieuw technisch concept tot stand gebracht. Het pijpwerk van Müller bleef daarentegen in hoofdlijnen onaangetast. Dankzij deze ingrepen was het klankbeeld echter voldoende geactualiseerd om aan de eisen van de gewijzigde smaak te kunnen voldoen. In 1904 werd de tot dan toe mahoniekleurige kas met marmerimitatie naar een ontwerp van architect Jan de Quack geheel overgeschilderd in pasteltinten. Zijn aquarelontwerp bevindt zich nog steeds in de kerk.

 

De volgende ingrijpende renovatie vond plaats in 1940 en werd uitgevoerd door de Zaanse orgelmaker H.W. Flentrop, waarbij verschillende dispositiewijzigingen werden aangebracht. Ook werd een vrij Pedaal met electropneumatische tractuur toegevoegd. Alhoewel getracht werd het pijpwerk volgens ‘het ouderwetsche toonkarakter’ te intoneren ging bij deze renovatie helaas veel historisch materiaal verloren, zoals de Trompet en Dulciaan van Müller, de Baarpijp van Strumphler en de Viola di Gamba van Ypma. Nadat de kerk in de jaren l952-1957 was gerestaureerd herstelde D.A. Flentrop het orgel, waarbij enkele registers van plaats wisselden.

 

In de 70er en 80er jaren van de vorige eeuw verslechterde de conditie van het instrument zienderogen, waardoor een restauratie steeds urgenter werd. In het begin van de jaren ’90 werden daartoe de eerste stappen gezet. Hans van Nieuwkoop, destijds organist van de St. Laurenskerk, werd tot adviseur benoemd met de opdracht een restauratieplan op te stellen, dat hij in februari l993 indiende. Intussen bleek ook de toestand van de kerk verre van rooskleurig te zijn. Parallel aan de orgelplannen werden daarom ook plannen voor een kerkrestauratie ontwikkeld. Toen begin 2001 bleek dat aan dit project een subsidie uit de zgn. ‘kanjerregeling’ was toegekend kwam het proces in een stroomversnelling. Als uitgangspunt bij de orgelrestauratie werd gekozen voor behoud van de technische aanleg van Ypma uit 1882, terwijl in klanktechnisch opzicht zoveel mogelijk aansluiting bij het grote bestand aan Müller-materiaal is gezocht. De wijzigingen uit 1940 zijn ongedaan gemaakt. De restauratie is uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw, Zaandam, waarbij Jan Jongepier als adviseur optrad namens de eigenaar, de Protestantse Gemeente te Alkmaar.

In het kader van de kerkrestauratie werd de orgelkas opnieuw geschilderd. De aangetroffen kleuren waren hoofdzakelijk in 1904 aangebracht. Bij kleuronderzoek werd onder deze laag de oorspronkelijke verflaag aangetroffen, waaruit de thans gekozen kleurstelling is afgeleid. Daarmee heeft niet alleen het inwendige van het instrument maar ook het uiterlijk zijn oorspronkelijke glans weer herwonnen!

 

 

 

 

©Frank van Wijk, Bergen NH, April/Mei 2000, april 2006

 
 
Copyright Schnitger © 2006